Lost with you
Emma neemt plaats achter de vleugel. We zijn zojuist met de trein aangekomen uit Beverwijk. En telkens als we de stationshal van het centraal in Amsterdam binnenlopen, is er geen houden aan. Ze heeft slechts oog voor het zwartglanzende instrument. Zelfs als er iemand het pianokrukje bezet houdt, weet ze in een vloek en een zucht die zitplaats te veroveren. Een enkele keer moet het met vleien, zelden komt het tot smeken, maar meestentijds maken mensen maar al te graag plaats voor haar. Steevast opent ze haar concert met Liebestraum 3. Haar vingers weten niet beter dan haar virtuositeit te gehoorzamen. Liszt is van jongs af aan haar elixer.
Al snel verandert de hal in een concertzaal. Reizigers groepen samen, blijven verrast stilstaan bij het horen van de overrompelende klanken, sommigen met hun mond open. Het sluitstuk is altijd hetzelfde. Voorzichtig wordt een applausje ingezet, waarna Emma achter de vleugel vandaan stapt en een elegante reverence maakt. Daarbij golft haar rechterarm traag omhoog en spreiden haar vingers zich sierlijk tot een vedervlucht in slow motion. De oprechtheid van haar glimlach ontroert en begeestert haar weerloze publiek. Een ovatie is wat haar toekomt. Ik moet en ik wil maar al te graag deelnemen, omdat het me keer op keer zo diep raakt. Ik ben de overtreffende trap van verliefdst!
Maar vandaag is het anders. Vandaag is Emma anders. Ze heeft haar nukkige krullen afgeschoren. Wat rest zijn stekeltjes. In de trein bleef ik haar schedeldak lastigvallen met mijn vingers en mijn neus. Zó onverwacht zacht, en zó onvermoed geurend naar de baby, die blijkbaar nog diep in haar verborgen zat. ‘Vind je niet dat ik op haar lijk?’, vraagt ze met een ernstige blik. Ik glimlach en knik, maar ze ziet het onmiddellijk aan me. ‘Je hebt geen idee wie ik bedoel, hè?’ Ik blijf glimlachen. Een diepe frons trekt een voor tussen haar ogen. ‘Nee, echt niet, hè. Hoe kan dat? Mijn Instagram staat vol met reacties dat ik zó ontzettend op haar lijk.’ Het is inmiddels de grijns van een dwaas die ik draag. ‘Hoe kan je zo wereldvreemd zijn?’, verzucht ze.
Sinead, Sinead, Sinead ratelt het in mijn hoofd, maar ik spreek de naam niet uit van de eerste vrouw waar ik genadeloos verliefd op werd. Ik moest er wel eerst zestien voor worden. Het was in de vierde klas van de havo dat Mirjam uit onze vriendinnengroep ons de clip van Nothing compares liet zien. Ik was de enige die roodgloeiend aanliep. De andere meiden lachten me uit, maar Mirjam sloeg beschermend een arm om me heen. ‘Ik snap jou wel, lieverd. Mij ging het precies zo!’ Meer hoefde ze niet te zeggen om de rest te doen zwijgen.
‘Ik lijk toch echt als twee druppels water op haar’, zegt Emma lichtelijk verontwaardigd. Ze grabbelt in haar tasje en diept er een pasfotootje uit op. ‘Deze heb ik naast mijn eigen nieuwe look geplaatst. Het is m’n moedertje toen ze ongeveer zo oud was als ik nu ben.’ Haar moedertje is inmiddels een matrone die met strenge hand voor haar man en haar vier kinderen de koers in hun leven uitzet. Voor mij heeft ze slechts nu en dan een vriendelijk woord over. Maar ik ben dan ook opgegroeid in Oosterwijk en daar komt maar zelden iets goeds vandaan.
Emma douwt me de pasfoto in mijn hand. De gelijkenis is zo sterk dat ik plots weer rood kleur tot mijn wangen gloeien. Een ogenblik denk ik dat Emma me voor de gek wil houden, maar ze ziet mijn schaamte niet en ze babbelt er vrolijk op los. Ze heeft geen idee, maar haar moeder is Sinead. ‘Ik vond haar prentje vorige week in een doos met oude foto’s.’ Ze draait het fotootje om. Op de achterkant staat 1990. Ze streelt vervolgens de voorkant. ‘Wat was ze mooi en wat was ze jong, hè.’ Ik knik. Ik moest maar niet beginnen over wereldvreemd. Ze heeft geen weet van de gelijkenis tussen haar moedertje en de vrouw die op 3 oktober 1992 in Saturday Night Live haar eigen carrière vakkundig om zeep hielp.
In een ongecoördineerde dans laat een niet aflatende stroom reizigers rollende koffertjes ratelend uit. Emma laveerde tussen hen in alvorens ze plaatsnam. De klep van de vleugel is dicht. Haar ronde stekeltjesschedel is nog juist te zien. Ik verschuil me half achter een pilaar in de hal, waar ik zicht op de toetsen maar vooral op haar handen heb. Haar zachte, warme handen en haar sierlijke, lange vingers waarmee ze me soms onbewust streelt op plekken die me zo diep raken dat elke siddering in verborgen tranen eindigt.
De eerste passanten blijven staan. Misschien weten ze meer dan al die anderen die zich door de hal blijven voortspoeden. En vandaag is alles anders. Als Emma me gewaar wordt, glimlacht ze samenzweerderig. Ze zet met haar linkerhand een wals in. Eenvoudig doeltreffend, zes akkoorden op herhaling. Dan volgt haar rechterhand met een speels hinkelende melodie in G. Na vier maten volgt haar stem, eerst zacht, eerder aarzelend, maar al snel neemt plezier de overhand. Ze zingt! Boven de wals uit klinkt klaterend helder haar stem. ‘The lost were playing in the yard, Giving goosebumps to all the Sunday summer trees’. Die kleine, fragiele vrouw, ze meet in lengte nog geen eenmeterzestig, vergezelt hier een ieders eenzame hart. Haar grootsheid zit in het plezier en de liefde die ze deelt, in het zachte, vreemdsoortige geluk dat ze uitdraagt als ze speelt.
Ze wacht geen applaus af, maar vlucht met mij aan haar hand het station uit. Pas als we voor de ingang van het conservatorium staan houdt ze in. Ze kijkt me aan. Haar wangen gloeien zoals eerder die van mij. ‘Ik ben verliefd. Ik ben zo hopeloos verliefd,’ fluistert ze. Een wilde gloed drijft door mijn lijf. Ik probeer mijn geluk te temperen door mezelf te knijpen. ‘Ja,’ stotter ik. Ze knikt, maar met gebogen hoofd, zodat ze me niet aan hoeft te kijken. ‘Ik weet niet zo goed hoe ik moet beginnen,’ mompelt ze. ‘Vertel het me maar gewoon,’ klink ik hees. ‘Je kent toch Rosa?’ Ik haal m’n schouders op, maar dat ziet Emma niet. ‘Zij speelt cello’, gaat ze voort, ‘weet je?’ Tuurlijk ken ik Rosa, maar waarheen leidt dit verhaal. Toch niet naar haar, naar Rosa met haar varkensoogjes en haar onmogelijke piekhaar? ‘Nou, Rosa sprak me aan in de foyer. En ze was niet alleen. Drie medestudenten keken me hoopvol aan. Zij zochten voor tijdelijk een pianiste. Vijf concerten in het Bimhuis. Jazz met een vleugje klassiek en dat vleugje moesten Rosa en ik verzorgen. Tenminste als we wilden.’ ‘Maar je speelt toch helemaal geen jazz?’, zei ik volkomen overbodig. Eindelijk hief ze haar hoofd op. Ze schudde van nee. Haar ogen glansden. ‘Maar ik kon geen nee zeggen. Ik moest gewoon wel ja zeggen, zoals hij me aankeek.’ De bodem valt uit mijn ziel, mijn hart verzakt. Een hij! ‘Met van die intens zachte mokkakleurige ogen prikte hij gaatjes in mijn diepste gemoed.’ Ze straalde geluk bij ieder woord dat ze sprak. En ik, ik zakte in een diepduistere put van modder en slijk. ‘We hebben samen nauwelijks gepraat, maar we bleven elkaar maar aankijken. Vlak voor hij vertrok, krabbelde hij iets op een papiertje en douwde dat in mijn hand.’ Waarom stond ik hier nog? De aarde had me allang moeten verslinden. ‘Hij fluisterde in mijn oor. Luister hier maar eens naar. En toen zei hij ...’ Ze keek me niet ziende aan. ‘Hij zei toen, ik hoop dat ik, nadat je hebt geluisterd en alles hebt begrepen, ik niet meer zo alleen ben in mijn liefde voor zijn muziek.’ Gek dat hoop, ondanks mijn wanhoop, toch probeert weer een plekje in mijn ziel in te nemen. Misschien draait alles gewoon weer om muziek? Liefde voor muziek is nu eenmaal ons ingesleten geluk. ‘Over welke muziek heb je het?’ Mijn stem schuurt als ik het haar vraag. Maar Emma is die vraag allang voorbij. ‘Vandaag ga ik het hem vertellen, dat hij niet meer alleen in z’n liefde voor Patrick Watson staat.’ Ze slaat haar armen om me heen en kust me vluchtig op m’n wang. Dan loopt ze met leeuwenmoed de foyer binnen. Even zet de zon haar stekeltjes in een gouden gloed. Dan slokt het gebouw haar op.
Al snel verandert de hal in een concertzaal. Reizigers groepen samen, blijven verrast stilstaan bij het horen van de overrompelende klanken, sommigen met hun mond open. Het sluitstuk is altijd hetzelfde. Voorzichtig wordt een applausje ingezet, waarna Emma achter de vleugel vandaan stapt en een elegante reverence maakt. Daarbij golft haar rechterarm traag omhoog en spreiden haar vingers zich sierlijk tot een vedervlucht in slow motion. De oprechtheid van haar glimlach ontroert en begeestert haar weerloze publiek. Een ovatie is wat haar toekomt. Ik moet en ik wil maar al te graag deelnemen, omdat het me keer op keer zo diep raakt. Ik ben de overtreffende trap van verliefdst!
Maar vandaag is het anders. Vandaag is Emma anders. Ze heeft haar nukkige krullen afgeschoren. Wat rest zijn stekeltjes. In de trein bleef ik haar schedeldak lastigvallen met mijn vingers en mijn neus. Zó onverwacht zacht, en zó onvermoed geurend naar de baby, die blijkbaar nog diep in haar verborgen zat. ‘Vind je niet dat ik op haar lijk?’, vraagt ze met een ernstige blik. Ik glimlach en knik, maar ze ziet het onmiddellijk aan me. ‘Je hebt geen idee wie ik bedoel, hè?’ Ik blijf glimlachen. Een diepe frons trekt een voor tussen haar ogen. ‘Nee, echt niet, hè. Hoe kan dat? Mijn Instagram staat vol met reacties dat ik zó ontzettend op haar lijk.’ Het is inmiddels de grijns van een dwaas die ik draag. ‘Hoe kan je zo wereldvreemd zijn?’, verzucht ze.
Sinead, Sinead, Sinead ratelt het in mijn hoofd, maar ik spreek de naam niet uit van de eerste vrouw waar ik genadeloos verliefd op werd. Ik moest er wel eerst zestien voor worden. Het was in de vierde klas van de havo dat Mirjam uit onze vriendinnengroep ons de clip van Nothing compares liet zien. Ik was de enige die roodgloeiend aanliep. De andere meiden lachten me uit, maar Mirjam sloeg beschermend een arm om me heen. ‘Ik snap jou wel, lieverd. Mij ging het precies zo!’ Meer hoefde ze niet te zeggen om de rest te doen zwijgen.
‘Ik lijk toch echt als twee druppels water op haar’, zegt Emma lichtelijk verontwaardigd. Ze grabbelt in haar tasje en diept er een pasfotootje uit op. ‘Deze heb ik naast mijn eigen nieuwe look geplaatst. Het is m’n moedertje toen ze ongeveer zo oud was als ik nu ben.’ Haar moedertje is inmiddels een matrone die met strenge hand voor haar man en haar vier kinderen de koers in hun leven uitzet. Voor mij heeft ze slechts nu en dan een vriendelijk woord over. Maar ik ben dan ook opgegroeid in Oosterwijk en daar komt maar zelden iets goeds vandaan.
Emma douwt me de pasfoto in mijn hand. De gelijkenis is zo sterk dat ik plots weer rood kleur tot mijn wangen gloeien. Een ogenblik denk ik dat Emma me voor de gek wil houden, maar ze ziet mijn schaamte niet en ze babbelt er vrolijk op los. Ze heeft geen idee, maar haar moeder is Sinead. ‘Ik vond haar prentje vorige week in een doos met oude foto’s.’ Ze draait het fotootje om. Op de achterkant staat 1990. Ze streelt vervolgens de voorkant. ‘Wat was ze mooi en wat was ze jong, hè.’ Ik knik. Ik moest maar niet beginnen over wereldvreemd. Ze heeft geen weet van de gelijkenis tussen haar moedertje en de vrouw die op 3 oktober 1992 in Saturday Night Live haar eigen carrière vakkundig om zeep hielp.
In een ongecoördineerde dans laat een niet aflatende stroom reizigers rollende koffertjes ratelend uit. Emma laveerde tussen hen in alvorens ze plaatsnam. De klep van de vleugel is dicht. Haar ronde stekeltjesschedel is nog juist te zien. Ik verschuil me half achter een pilaar in de hal, waar ik zicht op de toetsen maar vooral op haar handen heb. Haar zachte, warme handen en haar sierlijke, lange vingers waarmee ze me soms onbewust streelt op plekken die me zo diep raken dat elke siddering in verborgen tranen eindigt.
De eerste passanten blijven staan. Misschien weten ze meer dan al die anderen die zich door de hal blijven voortspoeden. En vandaag is alles anders. Als Emma me gewaar wordt, glimlacht ze samenzweerderig. Ze zet met haar linkerhand een wals in. Eenvoudig doeltreffend, zes akkoorden op herhaling. Dan volgt haar rechterhand met een speels hinkelende melodie in G. Na vier maten volgt haar stem, eerst zacht, eerder aarzelend, maar al snel neemt plezier de overhand. Ze zingt! Boven de wals uit klinkt klaterend helder haar stem. ‘The lost were playing in the yard, Giving goosebumps to all the Sunday summer trees’. Die kleine, fragiele vrouw, ze meet in lengte nog geen eenmeterzestig, vergezelt hier een ieders eenzame hart. Haar grootsheid zit in het plezier en de liefde die ze deelt, in het zachte, vreemdsoortige geluk dat ze uitdraagt als ze speelt.
Ze wacht geen applaus af, maar vlucht met mij aan haar hand het station uit. Pas als we voor de ingang van het conservatorium staan houdt ze in. Ze kijkt me aan. Haar wangen gloeien zoals eerder die van mij. ‘Ik ben verliefd. Ik ben zo hopeloos verliefd,’ fluistert ze. Een wilde gloed drijft door mijn lijf. Ik probeer mijn geluk te temperen door mezelf te knijpen. ‘Ja,’ stotter ik. Ze knikt, maar met gebogen hoofd, zodat ze me niet aan hoeft te kijken. ‘Ik weet niet zo goed hoe ik moet beginnen,’ mompelt ze. ‘Vertel het me maar gewoon,’ klink ik hees. ‘Je kent toch Rosa?’ Ik haal m’n schouders op, maar dat ziet Emma niet. ‘Zij speelt cello’, gaat ze voort, ‘weet je?’ Tuurlijk ken ik Rosa, maar waarheen leidt dit verhaal. Toch niet naar haar, naar Rosa met haar varkensoogjes en haar onmogelijke piekhaar? ‘Nou, Rosa sprak me aan in de foyer. En ze was niet alleen. Drie medestudenten keken me hoopvol aan. Zij zochten voor tijdelijk een pianiste. Vijf concerten in het Bimhuis. Jazz met een vleugje klassiek en dat vleugje moesten Rosa en ik verzorgen. Tenminste als we wilden.’ ‘Maar je speelt toch helemaal geen jazz?’, zei ik volkomen overbodig. Eindelijk hief ze haar hoofd op. Ze schudde van nee. Haar ogen glansden. ‘Maar ik kon geen nee zeggen. Ik moest gewoon wel ja zeggen, zoals hij me aankeek.’ De bodem valt uit mijn ziel, mijn hart verzakt. Een hij! ‘Met van die intens zachte mokkakleurige ogen prikte hij gaatjes in mijn diepste gemoed.’ Ze straalde geluk bij ieder woord dat ze sprak. En ik, ik zakte in een diepduistere put van modder en slijk. ‘We hebben samen nauwelijks gepraat, maar we bleven elkaar maar aankijken. Vlak voor hij vertrok, krabbelde hij iets op een papiertje en douwde dat in mijn hand.’ Waarom stond ik hier nog? De aarde had me allang moeten verslinden. ‘Hij fluisterde in mijn oor. Luister hier maar eens naar. En toen zei hij ...’ Ze keek me niet ziende aan. ‘Hij zei toen, ik hoop dat ik, nadat je hebt geluisterd en alles hebt begrepen, ik niet meer zo alleen ben in mijn liefde voor zijn muziek.’ Gek dat hoop, ondanks mijn wanhoop, toch probeert weer een plekje in mijn ziel in te nemen. Misschien draait alles gewoon weer om muziek? Liefde voor muziek is nu eenmaal ons ingesleten geluk. ‘Over welke muziek heb je het?’ Mijn stem schuurt als ik het haar vraag. Maar Emma is die vraag allang voorbij. ‘Vandaag ga ik het hem vertellen, dat hij niet meer alleen in z’n liefde voor Patrick Watson staat.’ Ze slaat haar armen om me heen en kust me vluchtig op m’n wang. Dan loopt ze met leeuwenmoed de foyer binnen. Even zet de zon haar stekeltjes in een gouden gloed. Dan slokt het gebouw haar op.

Reacties
Een reactie posten