Angie

Op m’n elfde ontdekte ik de Stones. Nou ja, ontdekken kun je dat natuurlijk niet meer noemen wanneer de halve planeet je in die ontdekking is voorgegaan. Maar voor mij waren ze onbekend terrein, opwindend onbekend terrein.

Het begon allemaal met Angie, een nummer dat ik in de Avondspits hoorde. Efferiewaer ai loek, ai zie jaor ais. Twentse poëzie met Engelse tongval. Radio-dj Frits Spits mijmerde over die beeldende regel: ‘De ogen zijn de horizon. Ik verdwijn in het tegenlicht.’ Ik begreep er geen reet van, maar het verwarmde me diep van binnen als romig vanille-ijs. Ik was op slag smoor op die verontrustende ballade, waarin een prille liefde in rook opging.

De volgende dag na school fietste ik als een dolle naar het centrum van O. Tien gulden uit m’n moeders huishoudportemonnee brandden in mijn nieuwe spijkerjasje. Ik moest en ik zou die uitgeven aan Angie en de Stones. Het kostte me flink wat moeite voor ik eindelijk na de nodige aanwijzingen een platenzaak had gevonden. Ik legde mijn gejatte tien gulden op de balie en zei: ‘Ik wil graag Enjie van de Stoans koop’n.’

Naast mij begon een pokdalige punker van een jaar of zeventien vilein te grinniken. Hij droeg een indrukwekkende, blauwe hanenkam op z’n verder kaalgeschoren schedel. Z’n lange, leren jas kraakte vervaarlijk toen hij in mijn richting draaide. De medewerker achter de balie toonde zich niet minder bedreigend. Hij nam me met een ernstige blik langdurig op. Zijn diepliggende inktzwarte ogen schroeiden m’n huid en nog meer m’n geweten. Ik kleurde van de zenuwen rood tot in m’n nek en ik had grote moeite de bal met weerhaakjes in m’n keel door te slikken.

‘De single hew al lang nie meer, maar de elpee is nog wel te koop. Wi’j die hebb’n?’ vroeg hij met een diepe basstem.

‘Wat mot ‘ie toch met de Stones, man. Da’s vergane glorie. Doar luustert niemand meer noa’, zei de hanenkam. ‘De Sex Pistols is nog doaran toa, mer de Stones ku’j vergetten, man!’

‘Jos, hoal oe kop toch es! Niemand vrög oe om oew mening’, zei de medewerker. Hij boog een beetje voorover en keek me zowaar iets vriendelijker aan. De hanenkam morde nog wat onverstaanbare woorden, sloeg halfslachtig met z’n vuist op de balie en verliet daarop de platenzaak.

‘Zal ik de elpee dan maar’es voor je pakk’n?’

Ik knikte en voelde hoe het vuur op m’n wangen naar binnen sloeg. M’n hart bokte in een onaangename galop en ademen leek meer op hijgen. Terwijl de man, met z’n rug naar mij toegekeerd, z’n vingers door de rekken achter de balie liet gaan, op zoek naar de bewuste plaat van de Stones, overwoog ik hoe ik ongemerkt kon wegkomen. Maar m’n voeten kleefden aan het zwart-wit geblokte zeil dat als vloer diende. En toen hij zich omdraaide met de langspeelplaat in z’n hand was het te laat stilletjes weg te lopen.

‘Hier maat!’

Hij reikte me de plaat glimlachend aan. Ik was te nerveus om de hoes goed te bekijken anders had ik hem misschien wel laten liggen. Ik drukte de lp onder m’n jas, waarna ik de tien gulden over de balie naar hem toeschoof. Hij keek me grinnikend aan en wreef met z’n duim over z’n middel- en wijsvinger.

‘Ik krijg nog zeemn guld´n vijftig van je.’

‘Maar dat hek nie’, stamelde ik.

‘Gen geld, gen Stones’, zei de platenman luchtig en griste de plaat onder m’n jas vandaan. Hij wilde zich al omdraaien om Goats Head Soup terug in het rek te plaatsen

‘Je mag m’n spijkerjack hebb’n, tot ik de rest van het geld breng.’

Ik keek strak naar de punten van mijn schoenen om zijn blik te vermijden. In mijn hoofd resoneerde in cadans: dat ka’j nie maak’n, dat ka’j nie maak’n, gewoonweg nie maak’n.

‘Is goed’, hoorde ik tot mijn eigen schrik en verbazing. Ik keek hem vol ongeloof aan, maar hij reikte me glimlachend de lp aan. ‘Breng de rest maar een andere keer. Ik pas wel op je jasje.’

Ik trok gehaast mijn spijkerjack uit. Het jasje rook alsof het vers uit het kledingrek van de winkel kwam. Ik zag m’n moeder twee koppen groter dan normaal voor me staan, met m’n vader die haar bijstond. Ondertussen nam de platenman het jasje van me aan. Hij gooide het achteloos onder de balie. Ondanks dat het angstzweet tappelings via mijn ruggengraat onder de rand van mijn onderbroek verdween, wist ik, ervoer ik voor de allereerste keer wat onvoorwaardelijke liefde is. Hoewel dat ka’j toch nie maak’n! Dat ka’j echt nie maak’n! in mijn hoofd bleef hameren en ik wist dat ik thuis verketterd zou worden om het verlies van mijn jasje, verliet ik meer dan gelukkig de platenzaak. ‘Ajuus’, riep de platenman me na. Ik draaide me om en grijnsde volmaakt gelukkig naar hem, alvorens ik de deur achter me dichttrok.  

 

Reacties

Populaire posts van deze blog

Poor old dirt farmer